VCM enquête

Elk jaar bevraagt VCM de mestverwerkingssector via haar online enquête. De resultaten van deze jaarlijkse enquêtering vindt u terug in de Bibliotheek

Interpretatie 'vrije capaciteit'

In het rapport over de enquête wordt er elk jaar vermelding gemaakt van ‘vrije capaciteit’. Men moet zich ervan bewust zijn dat de meeste mestverwerking in Vlaanderen gebeurt door biologische processen. Deze processen kunnen de operationele capaciteit onder invloed van diverse factoren doen schommelen overheen de tijd. Daarom is de vergunde capaciteit vaak hoger dan de maximaal ingeschatte operationele capaciteit, wat zorgt voor een ‘buffer’ tegen schommelingen zodat de maximaal vergunde capaciteit niet overschreden wordt. De vrije capaciteit is met ander woorden geen gegarandeerde jaarlijkse invulbare capaciteit

Vrije capaciteit kan bovendien te wijten zijn aan de opstart van nieuwe installaties in het kalenderjaar waarover gerapporteerd wordt. Merk op dat er in 2017 bijvoorbeeld vier nieuwe installaties zijn opgestart en enkele andere hun capaciteit hebben uitgebreid. Deze installaties hadden nog niet hun volledige capaciteit benut in 2017, wat de gerapporteerde vrije capaciteit kan verklaren. Andere redenen voor het verschil tussen de beschikbare en operationele capaciteit die de verwerkers aangeven zijn vooral technisch (storingen, verbouw- of herstelwerken, traag droogproces). 

Samenvatting enquêteresultaten 2017

Uit de resultaten van de recente bevraging over het jaar 2017 kwam naar voren dat er 44,1 miljoen kg stikstof uit dierlijke mest (incl. export) werd verwerkt. In 2015 was dit nog 38 miljoen kg stikstof en in 2016 was dit 42,3 miljoen kg stikstof. De jaarlijkse hoeveelheid verwerkte stikstof blijft dus stijgen, al is de stijging nu iets minder dan in 2016. Hierbij blijft ook het aandeel fosfor dat verwerkt wordt, stijgen.

Het grootste gedeelte (bijna 85 %) van de stikstofverwerking werd in 2017 gerealiseerd door de verwerking en export van varkensmest (in totaal 18,9 miljoen kg N of 42,8 %) samen met de verwerking en export van pluimveemest (in totaal 18,4 miljoen kg N of 41,7 %). In 2017 is de verwerking en export van varkensmest en de verwerking van pluimveemest gestegen. De rechtstreekse export van pluimveemest is echter gedaald van 6,6 miljoen kg N in 2016 naar 6,3 miljoen kg N (2017). Het is mogelijk dat de fipronilcrisis in 2017 hiervoor verantwoordelijk was.

In 2017 is de verwerking van runder-en kalfsmest opnieuw gestegen (+2 %), ondanks het feit dat er minder rundermest geïmporteerd werd uit Nederland en de verwerking van de dikke fractie van rundermest gedaald is met 11 %. De export van ruwe rundermest naar Nederland (+11 %), de verwerking van dunne fractie van rundermest (+27 %) en de verwerking van runderstalmest (+5 %) zijn daarentegen wel sterk gestegen.

De biologische stikstofverwijdering uit de dunne fractie van varkensmest, rundermest en/of digestaat is nog steeds de meest toegepaste techniek (98 van de 124 installaties), gevolgd door biothermische droging (16 installaties). In 2017 zijn 4 nieuwe installaties opgestart: dit zijn twee biologische verwerkingsinstallaties en 2 biothermische drooginstallaties, waarvan één hygiënisatietrommel. De hygiënisatietrommel is een nieuwe techniek in Vlaanderen, die de dikke fractie van mest, samen met pluimveemest en runderstalmest, hygiëniseert voor export naar Frankrijk.

Net als in 2016 is in 2017 de grootste hoeveelheid stikstof (14,8 miljoen kg N of 40 %) verwerkt via de biothermische droging (van voornamelijk pluimveemest, paardenmest, de dikke fractie van varkensmest en de dikke fractie van rundermest), al dan niet gecombineerd met drogen en korrelen. Een gelijkaardige hoeveelheid stikstof (13,1 miljoen kg N of 35 %) wordt verwerkt via de biologische verwerking van de dunne fractie (van varkensmest, rundveemest of digestaat), al dan niet met een nabehandeling in constructed wetlands. De grootste hoeveelheid fosfaat (11,8 miljoen kg P2O5 of 66 %) wordt verwerkt via de biothermische droging (al dan niet gecombineerd met drogen en korrelen).

Uit dit alles blijkt dat de conventionele techniek van mestverwerking, namelijk mestscheiding gevolgd door de biologische verwerking van de dunne fractie in een ‘biologie’ en de export van de biothermisch gedroogde dikke fractie, cruciaal blijft voor een oordeelkundige verwerking van het Vlaamse mestoverschot.

De technologische ontwikkeling staat echter niet stil. In 2017 is de eerste volleschaal installatie voor stikstofrecuperatie uit de dunne fractie van varkensmest via stripping-scrubbing vergund. Via deze techniek zal de ammoniakale stikstof uit de dunne fractie afgevangen worden in de gasfase door een zuur (in dit geval salpeterzuur), waarbij de stikstof wordt gebonden tot een ammoniumzout (ammoniumnitraat). De bouw van de installatie is voorzien eind 2018. De transitie van de mestverwerking naar een circulaire economie, met focus op nutriëntenrecuperatie, zoals beschreven in de visienota van VCM (juli 2017), lijkt dan ook uit de startblokken te komen.

Een gedetailleerde bespreking van de enquêteresultaten kan u vinden in het rapport “VCM-enquête Operationele Stand van zaken Mestverwerking 2017”.